Welkom vluchteling

In dit subtropisch zwemparadijs
Waar wij altijd aanspoelertje speelden
Komen de stuwpompen met één lange kreun tot stilstand
Het vlees lilt na

Vluchtelingen
Met het eeuwig leven in hun ogen
Vragen om een glas Minute Maid
En hun zwembroek niet bij

Dus wij plukken de zon uit de hemel
Persen ze uit in een glas Minute Maid
En wijzen op de voorziene lockers voor geloofskwesties

(dit gedicht was finalist bij de Turing Gedichtenwedstrijd 2015 en staat in de bloemlezing ‘een toon die in de stilte zoemt’) 

 

 

Valentijn

 

Om te beginnen was er geen eiland

Er was alleen een strand dat we eiland noemden

Omdat een treurwilg tropisch naar het water boog

En er niemand was

 

Er was geen oceaan

maar een klein, koud stuwmeer in de Vogezen

Wij lagen niet verstrengeld in het maanlicht

Zij schommelde niet naakt aan de takken van de treurwilg

Dat heb ik allemaal gelogen

 

Wel had ze die gescheurde jeans aan

En speelden de rafels met haar glanzende kuiten

En het was inderdaad nacht en de maan was

Een schotelantenne op het hotel aan de overkant

Zero Tolerance

De politieagent greep een dief bij de lurven, op het moment dat die uit een kelderraam kroop, met een plastieken zak vol juwelen in de hand. “Aha mijnheer?” hij kwakte hem met zijn jukbeen tegen de kasseien en sloeg de boeien hard rond zijn polsen. “Dit is een vergissing, agent” kermde de man. “Ik kom even overhuis om de juwelen van mijn vrouw op te halen. We zijn namelijk op een trouwfeest en ze had ze vergeten.” “En u doet dat via het kelderraam?” “Sleutels vergeten, agent” zei de man. De agent trapte hem hard tegen de ribben en ging op zijn rug staan. “Kop houden, vriend” zei hij terwijl hij zijn snor in de lucht stak en rondspeurde naar meer schorriemorrie. “Sleutel vergeten, agent” probeerde de man opnieuw. De agent raspte met zijn laarshak over zijn ruggegraat, elke knokel pijnigend. Daarbij merkte hij dat de man een smokingvest droeg, wat zijn verklaring een schijn van waarheid meegaf. Hij ging op het oor van de man zitten en liet een scheet. “papieren alstublieft” “In mijn vestzak” De agent scheurde de vest van de diefs lichaam en vond de portefeuille, en een faire-part van een huwelijk op zaterdag zes juni, diezelfde dag. Hij trok hem recht aan één arm. Terwijl de agent de papieren controleerde hield hij de dief uit zijn ooghoek in de gaten. Zijn kaak bloedde en zijn vest lag in flarden op de grond. Maar op zijn kop verscheen een bang, betweterig lachje. De dief had al voorpret aan het moment waarop de agent zijn ongelijk zou moeten toegeven! “Ho, ho, Niet met mij he makker!” De agent pakte zijn knuppel en ranselde de dief tegen de gevel, waarbij vooral de knieën en schenen niet gespaard bleven. Was het zijn bedoeling geweest de man het keldergat in te drijven? In elk geval sloeg hij daarin te pletter. Zijn kop stak nog boven maar toen de agent het ijzeren dekrooster achternasmeet was ook die verdwenen. De agent schoof met zijn voet ook de portefeuille en de faire-part, die bij de schermutseling op de grond waren gevallen, in het keldergat.

Hij hervatte goedgemutst zijn wijktoer, maar stond na enkele meters alweer stil. “Shit, mijn boeien!” zei hij luid, maakte een halfslag en sloeg zijn hakken tegen elkaar. Het keldergat was aardedonker, stonk naar schimmel en was aan de randen besmeurd met bloed en modder. Bovendien leek het veel nauwer dan daarstraks. “Wat kost een paar boeien? lets van een 80 euro?” zei de agent. De eindeloze galm van het gat slokte zijn vraag op. Hij besloot vrijgevig te zijn voor zichzelf en de krocht te laten voor wat ze was. Net op dat verlossende moment klonk er uit het gat een geniepig gegniffel. De minabele zat zich te verblijden omdat hij zijn boeien kwijt was! De agent trok zijn pistool en vuurde vier keer in de duisternis. Daarna legde hij zijn oor te luister om gekreun, geadem of nog meer gelach op te vangen. Maar het was stil. Hij hoorde alleen de tocht langs de muren suizen. Met zijn benen eerst liet hij zich zakken. Zijn voeten vonden geen steun en hij tastte nog dieper met gestrekte tenen. Zijn armen hielden en het niet meer en half gewild liet hij zich dan maar vallen. Hij bleef vallen. Het gat was een nauwe, kaarsrechte koker die hem tegen een helse vaart naar beneden zoog. Zijn armen en benen werden geschaafd omdat ze zich tegen afzetten tegen de korrelige muren. Toen de agent, na een vreselijk lange val, uit het plafond van een onderaardse spelonk in de rivier Styx viel, waren zijn ledematen nog slechts bloederige stompjes. De Styx, die in zeven immer nauwer wordende kringen door de hel slingert, bestaat voor zeventig percent uit zout, zoals de dode zee. De agent kermde het uit terwijl het zijn wonden verschroeide. Anderzijds kan hij mij maar beter dankbaar zijn. Dankzij het zout blijft zijn verminkte lichaam tenminste drijven. Tot in het einde der tijden zal hij worden meegetroond door de stroming, langs de gruwelijke taferelen van de hel, waar mensen verteerd worden door vierkoppige slangen, naakt geroosterd en verminkt. En dat alles met in het hart uitzichtloze droefenis, wroeging en wanhoop.